Chemisch afval is een begrip dat in de praktijk vaak voor verwarring zorgt. Veel bedrijven gaan ervan uit dat chemisch afval automatisch ook gevaarlijke stoffen volgens het ADR zijn. Andersom leeft ook regelmatig de gedachte dat een stof die onder het ADR valt, automatisch als gevaarlijk afval moet worden afgevoerd. Beide aannames zijn onjuist.
De classificatie van afval en de classificatie voor het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn namelijk gebaseerd op verschillende wetgevingen, verschillende doelstellingen en verschillende beoordelingsmethoden. De afvalwetgeving richt zich op de bescherming van mens en milieu tijdens inzameling, verwerking en verwijdering van afval. Het ADR is daarentegen specifiek bedoeld om de risico’s tijdens het transport van gevaarlijke stoffen over de weg te beheersen.
Juist doordat deze systemen naast elkaar bestaan, ontstaan in de praktijk regelmatig discussies tussen producenten van afval, transporteurs, inzamelaars en toezichthouders. Een afvalstof kan bijvoorbeeld gevaarlijk afval zijn zonder ADR-plichtig te zijn. Andersom kan een afvalstof die volgens de afvalwetgeving als niet-gevaarlijk is aangemerkt, tijdens het vervoer toch volledig onder het ADR vallen.
In dit artikel wordt uitgelegd hoe chemisch afval wordt ingedeeld, hoe deze indeling zich verhoudt tot het ADR en welke praktische gevolgen dit heeft voor bedrijven die gevaarlijke afvalstoffen produceren of vervoeren.
Wat verstaan we onder chemisch afval?
Chemisch afval is geen officiële ADR-term maar een verzamelnaam voor afval dat bestaat uit chemische stoffen of daarmee is verontreinigd. Binnen bedrijven gaat het bijvoorbeeld om:
- oplosmiddelen;
- verf- en lakresten;
- zuren en logen;
- laboratoriumchemicaliën;
- pesticiden;
- oliehoudend afval;
- reinigingsmiddelen;
- absorberend materiaal met chemische verontreinigingen;
- vervuilde verpakkingen;
- procesresiduen.
Of deze afvalstoffen gevaarlijk zijn, wordt niet bepaald door het ADR maar door de Europese afvalstoffenregelgeving.
Binnen Europa wordt hiervoor gebruikgemaakt van de Europese Afvalstoffenlijst (Eural), waarin iedere afvalstof een zescijferige afvalcode krijgt toegewezen. Sommige codes zijn altijd gevaarlijk, andere nooit en weer andere zijn zogenaamde spiegelcodes. Bij spiegelcodes moet worden beoordeeld of de afvalstof gevaarlijke eigenschappen bezit.
Daarmee begint de eerste stap van iedere juiste afvalclassificatie.
De Eural bepaalt of afval gevaarlijk is
De Europese Afvalstoffenlijst kent honderden afvalcodes. Iedere code beschrijft een specifieke afvalstroom.
Een voorbeeld:
14 06 03*
Andere oplosmiddelen en mengsels van oplosmiddelen.
De ster achter de code betekent dat het gevaarlijk afval betreft.
Een ander voorbeeld:
15 02 02*
Absorptiemiddelen, filtermaterialen, poetsdoeken en beschermende kleding die door gevaarlijke stoffen zijn verontreinigd.
Ook hier geeft de ster aan dat sprake is van gevaarlijk afval.
Daartegenover staat bijvoorbeeld:
15 02 03
Absorptiemiddelen die niet met gevaarlijke stoffen zijn verontreinigd.
Deze afvalstof is geen gevaarlijk afval.
De beoordeling gebeurt dus allereerst binnen de afvalwetgeving en niet binnen het ADR.
Gevaarlijke eigenschappen van afval
Wanneer een afvalstof moet worden beoordeeld, wordt gekeken naar de zogenaamde HP-eigenschappen (Hazard Properties).
Deze lopen van HP1 tot en met HP15.
Enkele bekende voorbeelden zijn:
- explosief;
- oxiderend;
- ontvlambaar;
- irriterend;
- acuut toxisch;
- kankerverwekkend;
- corrosief;
- infectueus;
- ecotoxisch.
Deze eigenschappen zijn grotendeels gebaseerd op de CLP-verordening, waarin chemische stoffen worden ingedeeld.
De beoordeling vindt plaats aan de hand van:
- laboratoriumanalyses;
- veiligheidsinformatiebladen;
- kennis van het productieproces;
- concentratieberekeningen;
- Europese grenswaarden.
Pas wanneer is vastgesteld dat het afval één of meerdere HP-eigenschappen bezit, wordt het als gevaarlijk afval beschouwd.
Maar daarmee is nog niet vastgesteld hoe het vervoerd moet worden.
Het ADR kijkt uitsluitend naar de transportgevaren
Waar de afvalwetgeving kijkt naar de eigenschappen van het afval als product, kijkt het ADR uitsluitend naar de risico’s tijdens het vervoer.
Het ADR kent dertien gevarenklassen.
Enkele bekende voorbeelden zijn:
- Klasse 2: gassen;
- Klasse 3: brandbare vloeistoffen;
- Klasse 4.1: brandbare vaste stoffen;
- Klasse 5.1: oxiderende stoffen;
- Klasse 6.1: giftige stoffen;
- Klasse 8: bijtende stoffen;
- Klasse 9: diverse gevaarlijke stoffen.
De classificatie gebeurt volgens uitgebreide testmethoden en beslisbomen uit Deel 2 van het ADR.
Daarbij wordt gekeken naar eigenschappen zoals:
- vlampunt;
- kookpunt;
- corrosiviteit;
- toxiciteit;
- explosiviteit;
- reactie met water;
- oxidatievermogen;
- milieugevaar.
Pas daarna wordt een UN-nummer toegewezen.
Gevaarlijk afval betekent niet automatisch ADR
Een belangrijk praktijkvoorbeeld is laboratoriumafval.
Een laboratorium produceert kleine hoeveelheden gebruikte chemicaliën.
Volgens de afvalwetgeving krijgt dit vaak een gevaarlijke afvalcode.
Toch blijkt na classificatie dat de concentraties van gevaarlijke stoffen zo laag zijn dat het afval tijdens vervoer niet aan de ADR-criteria voldoet.
Het resultaat:
- wel gevaarlijk afval;
- geen ADR-vervoer.
In dat geval gelden uiteraard nog steeds de afvalstoffenregels, maar hoeft het transport niet volgens de ADR-voorschriften plaats te vinden.
ADR zonder gevaarlijk afval
Het omgekeerde komt eveneens voor.
Denk aan een bedrijf dat een partij ethanol moet afvoeren omdat de houdbaarheid is verstreken.
De vloeistof is ongebruikt en vormt geen afval uit een productieproces.
Tijdens het transport betreft het:
UN 1170 ETHANOL, klasse 3.
Volgens het ADR is dit volledig gereguleerd vervoer.
Binnen de afvalwetgeving hoeft dit echter niet automatisch gevaarlijk afval te zijn. Afhankelijk van de omstandigheden kan het zelfs een restproduct zijn dat nog wordt hergebruikt.
Ook hier lopen beide systemen dus uiteen.
Praktijkvoorbeeld 1: verfafval
Een schildersbedrijf levert gebruikte verf af.
De verf bevat oplosmiddelen.
Binnen de afvalwetgeving krijgt deze afvalstroom een gevaarlijke afvalcode.
Voor het transport moet vervolgens worden onderzocht:
- is de verf nog brandbaar?
- wat is het vlampunt?
- welke oplosmiddelen zijn aanwezig?
- welke concentraties komen voor?
Blijkt het mengsel nog een vlampunt onder 60 °C te hebben, dan zal vaak worden gekozen voor:
UN 1263
PAINT RELATED MATERIAL
Klasse 3.
Is het mengsel inmiddels volledig uitgehard, dan kan het zijn dat het ADR niet meer van toepassing is.
De afvalcode verandert daarbij niet.
Praktijkvoorbeeld 2: vervuilde poetsdoeken
Poetsdoeken met oplosmiddelen komen veel voor in garages.
Volgens de Eural worden zij vaak ingedeeld als gevaarlijk afval.
Voor het vervoer wordt vervolgens gekeken:
Zijn de doeken nog ontvlambaar?
Is sprake van zelfontbranding?
Zijn gevaarlijke dampen aanwezig?
Soms worden dergelijke afvalstoffen vervoerd onder:
UN 3175
SOLIDS CONTAINING FLAMMABLE LIQUID
In andere gevallen blijkt na beoordeling dat de ADR-criteria niet meer worden gehaald.
Ook hier kunnen de afval- en transportclassificatie verschillen.
Praktijkvoorbeeld 3: afvalzuren
Een chemisch bedrijf produceert afgewerkt zwavelzuur.
Binnen de afvalwetgeving betreft dit gevaarlijk afval.
Voor het ADR verandert echter weinig.
Zwavelzuur blijft tijdens het vervoer gewoon:
UN 1830
SULPHURIC ACID
Klasse 8.
Hier vallen beide systemen grotendeels samen.
Praktijkvoorbeeld 4: verontreinigde grond
Bij bodemsaneringen ontstaat regelmatig verontreinigde grond.
Volgens de afvalwetgeving kan deze als gevaarlijk afval worden aangemerkt.
Maar voor het ADR moet opnieuw worden beoordeeld:
- welke stoffen zijn aanwezig?
- welke concentraties?
- zijn ADR-grenswaarden overschreden?
Veel licht verontreinigde grond blijkt uiteindelijk geen ADR-goed te zijn.
De afvalstatus blijft echter onveranderd.
Praktijkvoorbeeld 5: lithium-ion batterijen
Beschadigde lithium-ion batterijen vormen tegenwoordig een belangrijk voorbeeld.
Binnen de afvalwetgeving worden zij vrijwel altijd als gevaarlijk afval beschouwd.
Voor het ADR geldt vervolgens een afzonderlijke beoordeling.
Is sprake van beschadiging of defecten?
Dan wordt meestal gekozen voor:
UN 3480
of
UN 3536,
afhankelijk van de situatie.
Daarbij gelden aanvullende verpakkingsvoorschriften, speciale verpakkingen en soms zelfs goedkeuring door de bevoegde autoriteit.
Dit laat zien dat de afvalwetgeving slechts de eerste stap vormt.
Wie bepaalt de juiste classificatie?
Volgens zowel de afvalwetgeving als het ADR ligt de verantwoordelijkheid uiteindelijk bij de afzender of afvalproducent.
Deze moet beschikken over voldoende informatie om de afvalstof correct te classificeren.
Daarvoor worden onder andere gebruikt:
- veiligheidsinformatiebladen;
- analysecertificaten;
- laboratoriumonderzoek;
- proceskennis;
- ADR-classificatiebeslissingen;
- historische gegevens.
Bij complexe afvalstromen wordt vaak een gespecialiseerde adviseur of laboratorium ingeschakeld.
Veelgemaakte fouten
In de praktijk komen steeds dezelfde fouten terug.
Een van de meest voorkomende is dat uitsluitend naar de afvalcode wordt gekeken. Een Eural-code zegt echter niets over het juiste UN-nummer.
Een andere fout is het overnemen van oude transportdocumenten zonder opnieuw te beoordelen of de samenstelling inmiddels is gewijzigd.
Ook wordt soms aangenomen dat iedere verpakking met een gevarenetiket automatisch ADR-plichtig is. Dat hoeft niet zo te zijn wanneer de concentraties zijn veranderd of wanneer het product inmiddels een andere samenstelling heeft.
Het omgekeerde gebeurt eveneens: bedrijven verwijderen ADR-etiketten omdat een product afval is geworden, terwijl de transportgevaren nog volledig aanwezig zijn.
Waarom een goede classificatie zo belangrijk is
Een onjuiste classificatie kan grote gevolgen hebben.
Wordt een afvalstof ten onrechte niet onder het ADR vervoerd, dan ontbreken mogelijk:
- geschikte verpakkingen;
- correcte etikettering;
- vervoersdocumenten;
- opleiding van medewerkers;
- noodprocedures.
Bij een ongeval kan dit leiden tot aanzienlijk grotere risico’s voor chauffeurs, hulpdiensten en het milieu.
Daarnaast kunnen toezichthouders forse sancties opleggen wanneer blijkt dat een afvalstof verkeerd is geclassificeerd.
Een correcte beoordeling voorkomt daarom niet alleen juridische problemen, maar verhoogt vooral de veiligheid tijdens opslag, overslag en transport.
De rol van kennis en opleiding
De combinatie van afvalwetgeving, CLP en ADR maakt de classificatie van chemisch afval tot een specialistisch vakgebied. Medewerkers die betrokken zijn bij het opstellen van vervoersdocumenten, het verpakken van afval, het beladen van voertuigen of het organiseren van transport moeten begrijpen hoe deze verschillende systemen op elkaar aansluiten.
Een goede ADR Awareness-opleiding biedt inzicht in de basisprincipes van de ADR-regelgeving en helpt medewerkers om transportgevaren te herkennen en hun verantwoordelijkheden tijdens het vervoer correct uit te voeren. Voor medewerkers die afval classificeren of vervoersdocumenten opstellen, is daarnaast verdieping in de ADR-classificatieregels vaak noodzakelijk. Een Cursus Medewerker Klein Chemisch Afval is echter meer gericht op wat KCA medewerkers nodig hebben.